Inleiding voor Kleurrijk Religieus Leven
12 november 2011
door André Zegveld

UW AANGEZICHT ZOEK IK
1 Uw aangezicht zoek ik
2 Niemand heeft ooit God gezien
3 Twee fundamentele ervaringen
4 Het verlangen van mijn ziel
5 Jezus’ verlangen: het Rijk Gods
6 Gehoorzaamheid
7 De rol van de buitenlandse religieuzen
8 Vuur brandend houden: het gebed van Jezus

1 UW AANGEZICHT ZOEK IK
‘UW AANGEZICHT ZOEK ik’, Psalm 27 vers 8, dééls. Het klinkt alsof het initiatief van het zoe-ken van ons uitgaat. Het héle citaat luidt: ‘Gíj zegt – en mijn hart spreekt het na: zoekt mijn aanschijn. Uw aanschijn, Heer, wil ik zoeken.’ Het initiatief ligt niet bij ons. Gód zegt op een of andere manier, in ons hart: ‘Zoek Mijn aangezicht’, een soort gebod. Op grond van dát gebod zoeken wíj. Aan het zoeken gaat dus het horen vooraf, een horen in/met je hart. Zo stelt de Psalm óns een vraag: ‘wáár horen wíj, ieder van ons één voor één, in ons binnenste, ons hart, Gód zeggen: ‘Zoek mijn aangezicht?’ Dat zoeken van God heeft álles met léven te ma-ken, met tot-leven-komen. ‘Zóekt Mij en lééft’ staat er bij de profeet Amos (Am. 5, 4.6). Gód zoeken, is: je léven zoeken. Wáár hoor ik dat, in welke taal, met welke woorden zegt God in míjn hart dat ik Hem, het léven, moet zoeken? Wáár ‘raakt’ Hij mij en ligt mijn meest gróndige gehoorzaamheid, de gehoorzaamheid aan Gód die spreekt in de taal van mijn hart en het dialect van mijn ziel? God is léven (Joh. 1, 4), al wat leven is in mij is Híj. Maar er gaat van alles om in mijn binnenste; allerlei bewegingen, gevoelens, overwegingen. Hoe weet ik dat het Gód is die mij raakt?

2 NIEMAND HEEFT OOIT GOD GEZIEN
‘UW AANGEZICHT ZOEK ik, uw aanschijn, Heer tracht ik te zien’ zegt de Psalm. Maar de Schrift zegt óók: ‘Niemand heeft ooit God gezien’ (Joh. 1, 18), niemand heeft Hem ooit ge-hoord, Hemzélf. En al staat de bijbel vol uitdrukkingen als ‘en God sprak…’ of ‘de Heer zei…’: God heeft nooit iets gezegd. Spreken over wat Gód gezegd heeft, is spreken over wat ménsen zeggen wat Hij volgens hén gezegd zou hebben. Alles wat mensen zeggen over wat God gezegd zou hebben, komt als mensenwoorden voort uit mensenmonden en mensenharten. ‘Ik zou er alles voor over hebben om Gód te horen spreken, al zou hij alleen maar het tele-foonboek voorlezen.’ Maar God heeft nooit gesproken. Dichterbij God komen, is dichterbij het grote zwijgen komen waardoor álles wordt omsloten; is los-laten: het geformuleerde, ze-kerheden, de vastigheid van een doctrine en de veiligheid van regels. God zwijgt: aan gene zijde van alles wat van, over of tot Hem of in zijn Naam wordt gezegd, is een stilte die niets zegt en nooit iets heeft gezegd. Stilte, ongeformuleerd, onformuleerbaar. God, het uiteindelij-ke, het laatste, het woord waarmee wíj aangeven wat er volgens ons wérkelijk en onoverko-melijk toe doet: het blijft voor ons ongrijpbaar en onbegrijp-baar, een lege plek, een ‘gat’ dat wij niet mogen op- of invullen, zeker niet met onfeilbare waarheden. Toch zegt de Psalm: ‘U (God) zegt – en mijn hart spreekt het na: zoek mijn aanschijn.’ Wáár hoor ík God dat zeggen, waar wordt dat gezegd in míj?

3 TWEE FUNDAMENTELE ERVARINGEN
IN DIT VERBAND wijs ik op twee fundamentele ervaringen, ervaringen die te maken hebben met de grónd van ons bestaan, ‘laatste’ ervaringen, want verder kun je niet komen. De twee hangen samen, maar tegelijk lijken ze elkaar tegen te spreken.
ALLEREERST IS ER de ervaring dat er ‘iets’ in mij is, in íeder mens is, dat ongeneeslijk en blij-vend onmededeelbaar is. Als wij het onder woorden willen brengen, verliezen we het. Onme-dedeelbaar: we kunnen er niet over spreken dan in vergelijkingen, we kunnen het niemand rechtstreeks meedelen. Líjden legt die ervaring in je open: ‘ik kan geen pijn hebben in jouw voet.’ Het geldt ook voor liefdeservaringen. Er is ‘iets’ onmededeelbaars. Dat maakt een mens uiteindelijk hopeloos eenzaam. Het ‘laatste’ van mij blijft altijd ongezegd. En dat maakt mij tot een vreemde voor mijzelf én voor anderen. Het is een soort gat in mij: mijn ‘ziel’.
DAARNAAST IS ER de even fundamentele ervaring dat ik pas mens wordt door op anderen be-trokken te zijn, in relaties dus. Zonder anderen ben ik niets, ‘no-body’: ik heb dan zelfs geen lichaam. Zonder iemand die mij noemt, ga ik onherkend door het leven. Het scheppingsver-haal gaat onder andere daarover, dat een mens-alléén géén mens is en dat het dus ‘niet-goed is dat een mens (er) alléén is.’ Iemand moet hem noemen, herkennen en zo aan zichzelf schen-ken, zodat die mens in de ander ook zijn eigen lichaam herkent (Gen. 2, 18-23).
TWEE FUNDAMENTELE ERVARINGEN. Waar een mens de weg vindt naar de ander komt die mens tot zichzelf, en omgekeerd. Maar het laatste blijft ongezegd, onmededeelbaar. Wie ben ik? Om dát uit te zeggen, heb ik andere mensen nodig; maar als ik naar anderen uitga, stuit ik op een geheim van zwijgen dat alles en allen omvat. Diep in onszelf is er déze ervaring: wan-neer wij strijden met het verschrikkelijke en wonderlijke geheim dat wijzélf zijn en in de ánder zoeken, worstelen wij met het geheim van Gód. Het onmededeelbare in mij en de ander, het gat dat met geen woorden te vullen is, de ‘ziel’, is een door-kijk naar God. God spreekt er, zegt Paulus, ‘met onuitsprekelijke verzuchtingen’ (Rom. 8, 26)

4 HET VERLANGEN VAN MIJN ZIEL
MET HET WOORD ‘ziel’ duiden wij dus de ‘plek’ in onszelf aan waar wij onmededeelbaar zijn. Het is zo’n zelfde woord als het woord ‘God’. Net als voor God moet je daarom ook voor je ziel loslaten, ‘dit en dat’, je ‘ego’, de voortdurende psychische activiteit waarmee je jezelf harnast tegen het ‘gat’ in je, de activiteit waarmee je controleert, onder woorden brengt, fixeert.
TWEE WOORDEN : ‘ZIEL’ en ‘God’. Wat betekenen ze? Je kunt het antwoord vermoeden door je de vraag te stellen: ‘wat heb ik eraan heel de wereld te winnen, maar mijn ziel te verliezen?’ ‘Ziel’ en ‘God’: wanneer je jezelf loslaat, wanneer ‘je hart zuiver is, zie je God’ (Mt. 5, 13). Want dan ga je open, je raakt leeg van jezelf en je verlangt naar wat (vermoed je, geloof je) met geen woorden te zeggen is.
NIEMAND HEEFT OOIT God gezien. Toch spreekt Hij tot/in ons op manieren die wij begrijpen kunnen, in ons verlangen. Ons diepste, meest eigen en onmededeelbare verlangen, is verlangen naar God. Als we verlangen naar wat onverliesbaar is, verlangen we naar God en komen we echt tot léven: ‘zoek Mijn aangezicht.’
GELOVEN IS DUS níet: iets weten. Geloven is verlángen dat het onmededeelbare in je leven van alledag tevoorschijn mag komen. Als ik zeg: ‘ik geloof in God’, zeg ik: ‘ik verlang naar de verschijning van het onmededeelbare dat ik <God> noem.’ Het is een woord dat erbij komt, een bij-woord. Álles is tenslotte een bijwoord, de Katechismus van de Katholieke Kerk, dog-ma’s, liturgieën, kloosterregels en kloostergebruiken. Al die bijwoorden zeggen alleen: ‘het onmededeelbare líjkt hierop…’, meer niet. ‘God’ is een werkwoord, Hij is léven zonder meer. Wij niet, wij en alles van ons, is enkel een vertaling van dat werkwoord, vertaling van het onzegbare verlangen in bijwoorden die slechts doen vermóeden wat het werkwoord is.
IEDER MENS IS bijwoord, ieder mens is vertaling, een vergelijking, ook ík. Hoe zuiverder ik ben, hoe meer ik leef vanuit mijn ziel, des te zuiverder is mijn vertaling. In elke vertaling krijgt God (de uitdrukking is van Elizabeth van de heilige Drie-eenheid) een extra menselijkheid erbij. En ál die bijwoorden van ál die mensen in héél hun verscheidenheid tezamen doen iets vermoeden van de onuitputtelijke onmededeelbaarheid van God.
GELOVEN IS VERLANGEN naar God, het ‘laatste’. Geloven is een maníer van zien, een maníer van leven; een soort baringsproces: wat Gód is moet tot léven komen in mijn, in ons léven.

5 JEZUS’ VERLANGEN: HET RIJK VAN GOD
GOD HEEFT DUS te maken met wat wij verlangen, met tot léven komen. Naar Gód verlangen is naar léven verlangen. Mijn gewóne leven moet een vertaling zijn van het onuitsprekelijke leven van Gód. God is daarom heel dichtbij, net zo dichtbij als mijn eigen leven. Dat is de ervaring geweest van Jezus. Een dubbele ervaring, die alles te maken heeft met de twee fundamentele ervaringen waarvan al sprake was.
OOK JEZUS HEEFT gezocht naar de stem van dat eerste woord: ‘zoek mijn aangezicht’, gezocht met héél zijn bestaan, in de woestijn, bij Johannes de Doper, tijdens lange uren van eenzaam gebed. Het was bij zijn doop in de Jordaan een overweldigend vergezicht: ‘Jíj bent het, mijn Zoon, de welbeminde.’ God openbaart zich niet als ondoorgrondelijk geheim, met het tauto-logische ‘Ik ben Ik ben’ waarmee Hij zich aan Mozes had geopenbaard en dat in goed Engels het best vertaald kan worden als: ‘Mind your own business.’ Hij openbaart zich als Vader, in Jezus gaat het onwankelbare besef open, in het gat van zijn hart: ‘op een intieme manier zijn God en ik zo nauw verwant als maar kan. Mijn leven is (van) het Zijne. Het onmededeelbare in mij is Hij, volstrekt te vertrouwen, zonder reserves of berekening, puur, zónder de noodzaak van een tempelreligie, de leerstelligheid van wet- en godgeleerden, de zekerheid van tradities of de bemiddeling van priesters. God, het onmededeelbare dat zich in mijn verlangen beweegt, wil dat ík er ben, helemáál mens.’ Jezus weet er zich vol van, van de levenskracht van God, Gods Geest, in hemzelf: ‘mijn leven is (van) het Zijne, wat leven is in mij is Hij.’
DIE ERVARING VERTAALDE hij zo: ‘Gods rijk, de ‘manier’ waarop God er ís, is nabij; je moet er anders voor gaan leven’ (Mc. 1, 15). In gewoon Nederlands: ‘Gods leven is dichterbij dan je denkt.’ Jezus kan niet aan Gód denken, zonder tegelijk te denken aan de manier waarop God in mensen aan het licht wil komen. Er is geen onderscheid tussen God en zijn rijk. God is het leven van de levenden. Daarom heeft Hij alles te maken met de vermenselijking van de mensen en dus van de wereld.
MENSEN VERLANGEN NAAR leven, góed leven, voluit leven. In hun verlangen vertaalt zich wat Gód wil. Gods wil is niet geheimzinnig of ondoorgrondelijk. Wat Hij wil is heel voor de hand liggend; Hij wil overvloedig leven voor íedereen, voor hen die dat het meest moeten ontberen op de eerste plaats: welzijn, gezondheid, gemeenschap, vrede, levensvreugde, voedsel en iets om aan te trekken. Leest u er de Zaligsprekingen maar op na, tegelijk met de tweede helft van Matteüs 25.
AAN DÁT LEVEN zijn verder geen voorwaarden verbonden. God komt niet om zijn rechten te verdedigen of een religieus imperium te vestigen, Hij vraagt niet dat de priesters nauwkeuriger de wetten van de tempel zouden gaan nakomen, dat de mensen meer van de bijbel zouden weten en meer naar de tempel gaan. Geen nieuwe leer of nieuwe wetten, geen aparte moraal of codes. God wil enkel dit éne en énkel dit ene is zijn komst: ‘dat mensen bevrijd worden van al wat te kort doet aan hun menselijkheid.’ God zoekt hier en nu een gelukkiger leven voor iedereen. Waar en wanneer komt Hij dus? Overal waar mensen ophouden elkaar te gebruiken, elkaar te vernederen, op elkaar neer te zien, gevangen te houden in onvrij makende verbanden en structuren, waar geen heilig volk meer is dat zondaars veroordeelt, waar geen mannen meer zijn die vrouwen onderdrukken, geen tempel en religie die mensen vrees aanjagen. God is niemands monopolie, Hij is ‘een vriend van het leven’ (Wijsh. 11, 26). Hij is het leven van de levenden. Kijk om je heen, en begin ermee: ‘God is dichterbij dan je denkt, ga ánders leven’ (Mc. 1, 15), dan kómt dat Rijk, niet spectaculair, maar nederig en effectief, midden in het leven (Lc. 17, 21).
WE ZIEN HIER bij Jezus de twee fundamentele ervaringen terugkomen. Níemand heeft ooit God gezien. Wat Jezus gezíen heeft, is: het onmededeelbare ín mij, ik durf en mag en moet het ‘Vader’ noemen; het is de levensruimte die mij laat zíjn. En dát zoek ik in de anderen en voor de anderen, ík ben er opdat ook zíj tot leven zouden komen, gewóón, menselijk leven, in zijn meest menselijke gestalte. Want God wil dat mensen léven. Dat is Jezus’ verlangen. En vanuit dát verlangen, zegt hij: ‘dát vuur ben ik op aarde komen brengen, en hoe verlang ik ernaar dat het al brandde!’ (Lc 12, 49).
WAT HOUDT DAT voor ons religieuzen, autochtone en allochtone, in Nederland in? De Instruc-tie van de Congregatie voor de Instituten van het Gewijde Leven, Faciem tuam, Domine, re-quiram, begint zo: ‘Het gewijde leven is ertoe geroepen om binnen de kerk en de wereld de karakteristieke kenmerken van Jezus zichtbaar te maken: maagd, arm en gehoorzaam.’ Nu was Jezus ongetwijfeld arm en naar alle waarschijnlijk ook ongehuwd, maar gehoorzaam is hij zeker niet geweest. Wat houdt het voor ons in als wij in zíjn spoor zeggen: ‘Gíj zegt, God, in mijn hart: zoek mijn aangezicht. Uw aangezicht wil ik zoeken?’ Wat houdt het in voor onze gehoorzaamheid, het stille gebed, het brandend houden van het vuur, en de eígen inbreng van de buitenlandse religieuzen zusters en broeders in ouderwordende en uitstervende Nederland-se congregaties en een imploderende kerk?

6 GEHOORZAAMHEID
VOOR VEEL MENSEN is gehoorzaamheid een grote deugd wanneer het om hónden gaat, maar iets bedenkelijks wanneer het ménsen betreft. Het is een evangélische, met het vuur van Jezus samenhangende, deugd. Zó’n deugd mag je vooral niet overlaten aan mensen die van de kerk en het religieuze leven een kloosterlijke kazerne of tuchtschool willen maken. Jezus was ge-hoorzaam aan zijn diepste verlangen, zijn verlangen naar God. Díe gehoorzaamheid relati-veerde ál het andere. Daarom was hij óngehoorzaam naar regels toe, het gezag van de kerke-lijke overheid, gezag überhaupt. ‘Mijn spijs is het om de wil van de Vader te doen’ (Joh. 4, 34). Alles was voor hem dááraan ondergeschikt.
DE BRON VAN de religieuze gehoorzaamheid is daarom het hóren naar wat er in jou gezegd wordt vóór je antwoordt met ‘ik zoek uw aangezicht.’ Luisteren naar je diepste verlangens, naar het onmededeelbare, daarnaar horen met héél je mens-zijn, en daarom relativeren: de rollen die je speelt of spelen moet, codes, routine, formalisme, regelmanieën. ‘Wie ben ík voor God; wie ben ík in relatie met het onmededeelbare in mij, en wat staat me dáárom te doen; wát verlang ik wanneer ik naar Gód verlang?’ Je bent als gelovige of religieus géén mens die onderworpen is aan eeuwige dogma’s, aan voorzienigheidprogramma’s, aan een voorgefabriceerde moraal. De kerk en het klooster zijn geen school waarin je moet leren om je aan te passen aan goddelijke decreten. Het is een avontúúr, het volgen van een weg die nog níet is gebaand: ‘hoe moet ík (deze mens, deze achtergrond, deze cultuur) zíjn om vertaling van Gód te zijn?’ En het antwoord op die vraag kan enkel in vríjheid gegeven worden, met de vrijheid die eigen is aan kinderen Gods. Horen dus als een soort wáken, zoals je bij een zieke waakt; en dus ook de nácht respecteren, het niet (meer) weten, een soort slapeloosheid, leeg worden. Wáák je zo, of ben je de chronische opblijver die tot het laatste moment doorgaat, en zijn je nachten enkel een soort opberghokken voor te volle dagen?
GEHOORZAAMHEID EN HET stille gebed hangen daarom samen. God spreekt tot íeder van ons in de taal van ons verlangen en het dialect van onze ziel. Het stílle gebed: níet het brevier bid-den, níet (om) dit of dat bidden, maar je verlángen openhouden. Je wordt door Jezus eerst en vooral geroepen om ‘bij Hem te zijn’ (Mc. 3, 13-14), bij zijn stil gebed, om pas op grond dáárvan te weten wat jóuw vertaling moet zijn van zíjn ‘God is dichterbij dan je denkt.’
HET FUNDAMENT VAN alle gehoorzaamheid is de voortdúrende gehoorzaamheid aan Gods wil voor mij. Vooral heel gewoon. Wat is Gods wil? Als het om het dagelijkse leven gaat, is Gods wil géén abstract idee, waar je heel ernstig en vooral moeizaam over moet nadenken. Gods wil is 24 uur per dag heel duidelijk: de mensen om je heen, de plaats waar je bent, de omstan-digheden waarin: kun je dáárin Gods wil zien, en horen: ‘Ik (God) wil dat jíj er hier bent’? En kun je dan zoeken naar de beste vertaling van je antwoord? Aanvaarding van wat je leven je brengt, van de toevalligheid van de situatie die jou is toegevallen. ‘Gewone mensen’ doen dat heel gewoon. Ze worden overgeplaatst, moeten van baan veranderen, verhuizen, de leiding van leidinggevenden volgen. Ze doen dat vaak veel en veel vanzelfsprekender dan veel religi-euzen.
DEZE VOORTDURENDE GEHOORZAAMHEID is het fundament onder de gehoorzaamheid aan de overste. Díe gehoorzaamheid is een gezámenlijke dialoog met het onmededeelbare. De overste luistert naar de wensen van de religieus, en in die wensen naar het verlangen dat erin aan het woord komt, en daarin weer naar de vertáling van God, en hij kijkt of degene met wie hij spreekt in diens leven en bediening groeit en bloeit, vermenselijkt. De religieus doet hetzelfde; hij luistert naar zijn wensen en daarin naar zijn verlangen en dáárin weer naar God. Sámen zoeken ze naar de wil van God met déze mens in déze situatie en kijken verder kritisch naar wat zelfbetrokkenheid zou kunnen zijn, carrièrisme, angst om los te laten, en wat iemand er al dan niet voor over heeft om anderen tot leven te laten komen. Dit alles met een gezamenlijke en vrolijke ongehoorzaamheid ten aanzien van de gebaand paden. De overste heeft verder de bediening om zo nodig te beslissen, en om door zijn beslissing eventueel wégen naar léven te openen die de religieus zelf wellicht (nog) niet ziet. Maar alles in het perspectief van Góds wil met déze mens, God die de verménselijking van déze mens wil.
HET ZAL DUIDELIJK zijn: zo’n gehoorzaamheid kan enkel plaatsvinden binnen de context van een relatie, als een gesprek van hart tot hart dat in vertrouwen heeft kunnen groeien en zich verdiepen. Het zal ook duidelijk zijn: alleen zó wordt het vuur, waar Jezus over sprak, bran-dend gehouden: door voorbij alle kloosterlijke geplogenheden, zorgen om het voortbestaan, om de organisatie, de verdeling van mensen en middelen en wat dies meer zij, bezig te zijn met de vraag: hoe moet ík, hoe moet jíj zijn om, in het spoor van Jezus’ diepste intentie, vertá-ling van Góds rijk te zijn?

7 DE ROL VAN DE BUITENLANDSE RELIGIEUZEN
HEBBEN DE ‘BUITENLANDSE’ religieuzen in dit geheel een specifieke inbreng? Ik denk van wel. Op de éérste plaats: het vuur brandend houden. Gehoorzaamheid onderstelt ook ónder-linge gehoorzaamheid. Je bent verantwoordelijk voor elkáárs roeping, voor het hóren van je medebroeder of –zuster naar zíjn/háár oorspronkelijk geroepen worden. Je moet elkáár aan je gemeenscháppelijke roeping binden. Hoe? Door eerst en vooral zélf tot leven te komen, léven van goddelijke kwaliteit, en door dát leven ter beschikking te stellen aan anderen. Want het gaat om léven. Er is in ouder wordende gemeenschappen, in parochies ook, vaak sprake van een zekere teleurstelling: ‘ons leven is over, wij sterven uit, welke verwachtingen kunnen an-deren (nog) van ons hebben?’ Zó denken is een milde vorm van verstandverbijstering. Het religieuze leven is, ook als de gemeenschap oud en uitstervende is, níet over. Het gaat om het echte paasgeloof: dat je zelf en in/als gemeenschap tot léven wil komen vóór je doodgaat. Hoe kun je nu, als oude en uitstervende mensen, een vertáling van God en diens komst zijn, God die de verménselijking van mensen wil en die dus óók tevoorschijn wil komen in het leven van oude mensen die als oude mensen tot léven komen. Ik denk dat de inbreng van de (meestal) jonge buitenlandse religieuzen dááruit bestaat: om van de oude religieuzen zó’n beleving van het oud-worden en uitsterven te vragen, om daarover te communiceren, en om zo gezamenlijk de weg naar Gods vertaling te zoeken en elkaars bezieling op het spoor te komen. Buitenlandse religieuzen zijn hier niet om het bestaande zo lang mogelijk nog gaande ten houden, maar om samen met de anderen te zoeken naar de gemeenschappelijke gehoorzaam-heid aan het ‘zoek Mijn aangezicht. Ze doen dat door hun eigen modus van gehoorzaamheid aan te bieden en die van de anderen te ontvangen, en om zo de religieuzen (en de kerk) te be-hoeden voor het bejaardenhuisniveau waardoor mensen al vóór hun dood gestorven zijn.
DAARONDER LIGT NOG iets anders. Niemand heeft ooit God gezien, wij kennen Hem enkel via vertalingen. Ook het religieuze leven zoals dat in Nederland vorm heeft gekregen is vertaling, verwoord en gevormd binnen een bepaalde cultuur, in een bepaalde taal, een toevallige verta-ling. Andere culturen en andere talen laten andere mogelijke vertalingen zien en verrijken zo het beeld dat wij van God hebben. Zo wordt de menselijkheid van God, zoals verschenen in Jezus, steeds verder onthuld, en worden aspecten verwoord die in de Nederlandse setting onverwoord gebleven zouden zijn. Wij, West-Europese christenen noemen Jezus met een aan het heidense Rome ontleende woord ‘Heiland’; maar in Azië heeft hij de trekken van de bod-hissatva of van de Yesus Sang Guru. Al vóór zij in contact kwamen met het christendom kenden de niet-westerse culturen (in vertaling) God. Want God is het léven van de lévenden. Zo laten ze vertalingen zien die in het westen niet mogelijk waren. Daarom: de buitenlandse religieuzen komen ‘ons’ iets brengen: hun woorden, hun vormentaal, hun traditie om God ter sprake te brengen. Zij komen aanvullen wat in onze beperkte vertaling ontbreekt. Zo kunnen ze ons behoeden voor een van de grootste gevaren: provincialisme, de idee dat God enkel en het best, het meest adequaat, verwoord kan worden in het Latijn door mannen die een Oudro-meins gewaad dragen.

8 VUUR BRANDEND HOUDEN: HET GEBED VAN JEZUS
IN HET ‘ONZE Vader’ brengt Jezus onder woorden welk vuur in Hem brandde. Ik sluit af door de eigen heilige woorden van Jezus te vertalen:
Onze Vader, Vader van alle mensen, wij bidden als Jouw uitverkoren kinderen, met een vertrouwen dat geen grens wil kennen. Laat iedereen toch weet hebben van Jouw goed-heid en deze nooit misbruiken door Jouw kinderen te profaneren. Laat de weg van Jouw komst open zijn voor iedereen, en de armen en misbruikten bereiken. Laat daarom de rijken niet regeren, de machtigen hun macht niet misbruiken, het Geld niet gediend worden. Laat Jouw wil dat mensen tot leven komen werkelijkheid worden. Geef daarom ieder het voedsel dat nodig is om te leven. Laat niemand zonder brood zijn, en laat vooral de armen eten, vrolijk zijn en in waardigheid leven. Wij weten ons schuldig omdat wij Jou niet ten volle ieders Vader laten zijn en zo Jouw rijk niet binnengaan. Laat ons niet langer haat en eigenbaat voeden, maar laat ons elkaar het leven gunnen. We zijn zwak en we moeten leven in een wereld die getekend is door het grote geheim van het kwaad. Laat ons blijven hopen op Jou en Je verborgen en nederige komst, en verlos ons zo van al het kwaad dat onze vermenselijking in de weg staat.



 
   
 
AMARE ET SERVIRE