UW AANGEZICHT ZOEK IK
1 Uw aangezicht zoek ik
2 Niemand heeft ooit God gezien
3 Twee fundamentele ervaringen
4 Het verlangen van mijn ziel
5 Jezus’ verlangen: het Rijk Gods
6 Gehoorzaamheid
7 De rol van de buitenlandse religieuzen
8 Vuur brandend houden: het gebed van Jezus
1 UW AANGEZICHT ZOEK IK
‘UW AANGEZICHT ZOEK ik’, Psalm 27 vers 8, dééls.
Het klinkt alsof het initiatief van het zoe-ken van ons uitgaat. Het héle
citaat luidt: ‘Gíj zegt – en mijn hart spreekt het
na: zoekt mijn aanschijn. Uw aanschijn, Heer, wil ik zoeken.’ Het
initiatief ligt niet bij ons. Gód zegt op een of andere manier,
in ons hart: ‘Zoek Mijn aangezicht’, een soort gebod. Op grond
van dát gebod zoeken wíj. Aan het zoeken gaat dus het horen
vooraf, een horen in/met je hart. Zo stelt de Psalm óns een vraag:
‘wáár horen wíj, ieder van ons één
voor één, in ons binnenste, ons hart, Gód zeggen:
‘Zoek mijn aangezicht?’ Dat zoeken van God heeft álles
met léven te ma-ken, met tot-leven-komen. ‘Zóekt Mij
en lééft’ staat er bij de profeet Amos (Am. 5, 4.6).
Gód zoeken, is: je léven zoeken. Wáár hoor
ik dat, in welke taal, met welke woorden zegt God in míjn hart
dat ik Hem, het léven, moet zoeken? Wáár ‘raakt’
Hij mij en ligt mijn meest gróndige gehoorzaamheid, de gehoorzaamheid
aan Gód die spreekt in de taal van mijn hart en het dialect van
mijn ziel? God is léven (Joh. 1, 4), al wat leven is in mij is
Híj. Maar er gaat van alles om in mijn binnenste; allerlei bewegingen,
gevoelens, overwegingen. Hoe weet ik dat het Gód is die mij raakt?
2 NIEMAND HEEFT OOIT GOD GEZIEN
‘UW AANGEZICHT ZOEK ik, uw aanschijn, Heer tracht ik te zien’
zegt de Psalm. Maar de Schrift zegt óók: ‘Niemand
heeft ooit God gezien’ (Joh. 1, 18), niemand heeft Hem ooit ge-hoord,
Hemzélf. En al staat de bijbel vol uitdrukkingen als ‘en
God sprak…’ of ‘de Heer zei…’: God heeft
nooit iets gezegd. Spreken over wat Gód gezegd heeft, is spreken
over wat ménsen zeggen wat Hij volgens hén gezegd zou hebben.
Alles wat mensen zeggen over wat God gezegd zou hebben, komt als mensenwoorden
voort uit mensenmonden en mensenharten. ‘Ik zou er alles voor over
hebben om Gód te horen spreken, al zou hij alleen maar het tele-foonboek
voorlezen.’ Maar God heeft nooit gesproken. Dichterbij God komen,
is dichterbij het grote zwijgen komen waardoor álles wordt omsloten;
is los-laten: het geformuleerde, ze-kerheden, de vastigheid van een doctrine
en de veiligheid van regels. God zwijgt: aan gene zijde van alles wat
van, over of tot Hem of in zijn Naam wordt gezegd, is een stilte die niets
zegt en nooit iets heeft gezegd. Stilte, ongeformuleerd, onformuleerbaar.
God, het uiteindelij-ke, het laatste, het woord waarmee wíj aangeven
wat er volgens ons wérkelijk en onoverko-melijk toe doet: het blijft
voor ons ongrijpbaar en onbegrijp-baar, een lege plek, een ‘gat’
dat wij niet mogen op- of invullen, zeker niet met onfeilbare waarheden.
Toch zegt de Psalm: ‘U (God) zegt – en mijn hart spreekt het
na: zoek mijn aanschijn.’ Wáár hoor ík God
dat zeggen, waar wordt dat gezegd in míj?
3 TWEE FUNDAMENTELE ERVARINGEN
IN DIT VERBAND wijs ik op twee fundamentele ervaringen, ervaringen die
te maken hebben met de grónd van ons bestaan, ‘laatste’
ervaringen, want verder kun je niet komen. De twee hangen samen, maar
tegelijk lijken ze elkaar tegen te spreken.
ALLEREERST IS ER de ervaring dat er ‘iets’ in mij is, in íeder
mens is, dat ongeneeslijk en blij-vend onmededeelbaar is. Als wij het
onder woorden willen brengen, verliezen we het. Onme-dedeelbaar: we kunnen
er niet over spreken dan in vergelijkingen, we kunnen het niemand rechtstreeks
meedelen. Líjden legt die ervaring in je open: ‘ik kan geen
pijn hebben in jouw voet.’ Het geldt ook voor liefdeservaringen.
Er is ‘iets’ onmededeelbaars. Dat maakt een mens uiteindelijk
hopeloos eenzaam. Het ‘laatste’ van mij blijft altijd ongezegd.
En dat maakt mij tot een vreemde voor mijzelf én voor anderen.
Het is een soort gat in mij: mijn ‘ziel’.
DAARNAAST IS ER de even fundamentele ervaring dat ik pas mens wordt door
op anderen be-trokken te zijn, in relaties dus. Zonder anderen ben ik
niets, ‘no-body’: ik heb dan zelfs geen lichaam. Zonder iemand
die mij noemt, ga ik onherkend door het leven. Het scheppingsver-haal
gaat onder andere daarover, dat een mens-alléén géén
mens is en dat het dus ‘niet-goed is dat een mens (er) alléén
is.’ Iemand moet hem noemen, herkennen en zo aan zichzelf schen-ken,
zodat die mens in de ander ook zijn eigen lichaam herkent (Gen. 2, 18-23).
TWEE FUNDAMENTELE ERVARINGEN. Waar een mens de weg vindt naar de ander
komt die mens tot zichzelf, en omgekeerd. Maar het laatste blijft ongezegd,
onmededeelbaar. Wie ben ik? Om dát uit te zeggen, heb ik andere
mensen nodig; maar als ik naar anderen uitga, stuit ik op een geheim van
zwijgen dat alles en allen omvat. Diep in onszelf is er déze ervaring:
wan-neer wij strijden met het verschrikkelijke en wonderlijke geheim dat
wijzélf zijn en in de ánder zoeken, worstelen wij met het
geheim van Gód. Het onmededeelbare in mij en de ander, het gat
dat met geen woorden te vullen is, de ‘ziel’, is een door-kijk
naar God. God spreekt er, zegt Paulus, ‘met onuitsprekelijke verzuchtingen’
(Rom. 8, 26)
4 HET VERLANGEN VAN MIJN ZIEL
MET HET WOORD ‘ziel’ duiden wij dus de ‘plek’
in onszelf aan waar wij onmededeelbaar zijn. Het is zo’n zelfde
woord als het woord ‘God’. Net als voor God moet je daarom
ook voor je ziel loslaten, ‘dit en dat’, je ‘ego’,
de voortdurende psychische activiteit waarmee je jezelf harnast tegen
het ‘gat’ in je, de activiteit waarmee je controleert, onder
woorden brengt, fixeert.
TWEE WOORDEN : ‘ZIEL’ en ‘God’. Wat betekenen
ze? Je kunt het antwoord vermoeden door je de vraag te stellen: ‘wat
heb ik eraan heel de wereld te winnen, maar mijn ziel te verliezen?’
‘Ziel’ en ‘God’: wanneer je jezelf loslaat, wanneer
‘je hart zuiver is, zie je God’ (Mt. 5, 13). Want dan ga je
open, je raakt leeg van jezelf en je verlangt naar wat (vermoed je, geloof
je) met geen woorden te zeggen is.
NIEMAND HEEFT OOIT God gezien. Toch spreekt Hij tot/in ons op manieren
die wij begrijpen kunnen, in ons verlangen. Ons diepste, meest eigen en
onmededeelbare verlangen, is verlangen naar God. Als we verlangen naar
wat onverliesbaar is, verlangen we naar God en komen we echt tot léven:
‘zoek Mijn aangezicht.’
GELOVEN IS DUS níet: iets weten. Geloven is verlángen dat
het onmededeelbare in je leven van alledag tevoorschijn mag komen. Als
ik zeg: ‘ik geloof in God’, zeg ik: ‘ik verlang naar
de verschijning van het onmededeelbare dat ik <God> noem.’
Het is een woord dat erbij komt, een bij-woord. Álles is tenslotte
een bijwoord, de Katechismus van de Katholieke Kerk, dog-ma’s, liturgieën,
kloosterregels en kloostergebruiken. Al die bijwoorden zeggen alleen:
‘het onmededeelbare líjkt hierop…’, meer niet.
‘God’ is een werkwoord, Hij is léven zonder meer. Wij
niet, wij en alles van ons, is enkel een vertaling van dat werkwoord,
vertaling van het onzegbare verlangen in bijwoorden die slechts doen vermóeden
wat het werkwoord is.
IEDER MENS IS bijwoord, ieder mens is vertaling, een vergelijking, ook
ík. Hoe zuiverder ik ben, hoe meer ik leef vanuit mijn ziel, des
te zuiverder is mijn vertaling. In elke vertaling krijgt God (de uitdrukking
is van Elizabeth van de heilige Drie-eenheid) een extra menselijkheid
erbij. En ál die bijwoorden van ál die mensen in héél
hun verscheidenheid tezamen doen iets vermoeden van de onuitputtelijke
onmededeelbaarheid van God.
GELOVEN IS VERLANGEN naar God, het ‘laatste’. Geloven is een
maníer van zien, een maníer van leven; een soort baringsproces:
wat Gód is moet tot léven komen in mijn, in ons léven.
5 JEZUS’ VERLANGEN: HET RIJK VAN
GOD
GOD HEEFT DUS te maken met wat wij verlangen, met tot léven komen.
Naar Gód verlangen is naar léven verlangen. Mijn gewóne
leven moet een vertaling zijn van het onuitsprekelijke leven van Gód.
God is daarom heel dichtbij, net zo dichtbij als mijn eigen leven. Dat
is de ervaring geweest van Jezus. Een dubbele ervaring, die alles te maken
heeft met de twee fundamentele ervaringen waarvan al sprake was.
OOK JEZUS HEEFT gezocht naar de stem van dat eerste woord: ‘zoek
mijn aangezicht’, gezocht met héél zijn bestaan, in
de woestijn, bij Johannes de Doper, tijdens lange uren van eenzaam gebed.
Het was bij zijn doop in de Jordaan een overweldigend vergezicht: ‘Jíj
bent het, mijn Zoon, de welbeminde.’ God openbaart zich niet als
ondoorgrondelijk geheim, met het tauto-logische ‘Ik ben Ik ben’
waarmee Hij zich aan Mozes had geopenbaard en dat in goed Engels het best
vertaald kan worden als: ‘Mind your own business.’ Hij openbaart
zich als Vader, in Jezus gaat het onwankelbare besef open, in het gat
van zijn hart: ‘op een intieme manier zijn God en ik zo nauw verwant
als maar kan. Mijn leven is (van) het Zijne. Het onmededeelbare in mij
is Hij, volstrekt te vertrouwen, zonder reserves of berekening, puur,
zónder de noodzaak van een tempelreligie, de leerstelligheid van
wet- en godgeleerden, de zekerheid van tradities of de bemiddeling van
priesters. God, het onmededeelbare dat zich in mijn verlangen beweegt,
wil dat ík er ben, helemáál mens.’ Jezus weet
er zich vol van, van de levenskracht van God, Gods Geest, in hemzelf:
‘mijn leven is (van) het Zijne, wat leven is in mij is Hij.’
DIE ERVARING VERTAALDE hij zo: ‘Gods rijk, de ‘manier’
waarop God er ís, is nabij; je moet er anders voor gaan leven’
(Mc. 1, 15). In gewoon Nederlands: ‘Gods leven is dichterbij dan
je denkt.’ Jezus kan niet aan Gód denken, zonder tegelijk
te denken aan de manier waarop God in mensen aan het licht wil komen.
Er is geen onderscheid tussen God en zijn rijk. God is het leven van de
levenden. Daarom heeft Hij alles te maken met de vermenselijking van de
mensen en dus van de wereld.
MENSEN VERLANGEN NAAR leven, góed leven, voluit leven. In hun verlangen
vertaalt zich wat Gód wil. Gods wil is niet geheimzinnig of ondoorgrondelijk.
Wat Hij wil is heel voor de hand liggend; Hij wil overvloedig leven voor
íedereen, voor hen die dat het meest moeten ontberen op de eerste
plaats: welzijn, gezondheid, gemeenschap, vrede, levensvreugde, voedsel
en iets om aan te trekken. Leest u er de Zaligsprekingen maar op na, tegelijk
met de tweede helft van Matteüs 25.
AAN DÁT LEVEN zijn verder geen voorwaarden verbonden. God komt
niet om zijn rechten te verdedigen of een religieus imperium te vestigen,
Hij vraagt niet dat de priesters nauwkeuriger de wetten van de tempel
zouden gaan nakomen, dat de mensen meer van de bijbel zouden weten en
meer naar de tempel gaan. Geen nieuwe leer of nieuwe wetten, geen aparte
moraal of codes. God wil enkel dit éne en énkel dit ene
is zijn komst: ‘dat mensen bevrijd worden van al wat te kort doet
aan hun menselijkheid.’ God zoekt hier en nu een gelukkiger leven
voor iedereen. Waar en wanneer komt Hij dus? Overal waar mensen ophouden
elkaar te gebruiken, elkaar te vernederen, op elkaar neer te zien, gevangen
te houden in onvrij makende verbanden en structuren, waar geen heilig
volk meer is dat zondaars veroordeelt, waar geen mannen meer zijn die
vrouwen onderdrukken, geen tempel en religie die mensen vrees aanjagen.
God is niemands monopolie, Hij is ‘een vriend van het leven’
(Wijsh. 11, 26). Hij is het leven van de levenden. Kijk om je heen, en
begin ermee: ‘God is dichterbij dan je denkt, ga ánders leven’
(Mc. 1, 15), dan kómt dat Rijk, niet spectaculair, maar nederig
en effectief, midden in het leven (Lc. 17, 21).
WE ZIEN HIER bij Jezus de twee fundamentele ervaringen terugkomen. Níemand
heeft ooit God gezien. Wat Jezus gezíen heeft, is: het onmededeelbare
ín mij, ik durf en mag en moet het ‘Vader’ noemen;
het is de levensruimte die mij laat zíjn. En dát zoek ik
in de anderen en voor de anderen, ík ben er opdat ook zíj
tot leven zouden komen, gewóón, menselijk leven, in zijn
meest menselijke gestalte. Want God wil dat mensen léven. Dat is
Jezus’ verlangen. En vanuit dát verlangen, zegt hij: ‘dát
vuur ben ik op aarde komen brengen, en hoe verlang ik ernaar dat het al
brandde!’ (Lc 12, 49).
WAT HOUDT DAT voor ons religieuzen, autochtone en allochtone, in Nederland
in? De Instruc-tie van de Congregatie voor de Instituten van het Gewijde
Leven, Faciem tuam, Domine, re-quiram, begint zo: ‘Het gewijde leven
is ertoe geroepen om binnen de kerk en de wereld de karakteristieke kenmerken
van Jezus zichtbaar te maken: maagd, arm en gehoorzaam.’ Nu was
Jezus ongetwijfeld arm en naar alle waarschijnlijk ook ongehuwd, maar
gehoorzaam is hij zeker niet geweest. Wat houdt het voor ons in als wij
in zíjn spoor zeggen: ‘Gíj zegt, God, in mijn hart:
zoek mijn aangezicht. Uw aangezicht wil ik zoeken?’ Wat houdt het
in voor onze gehoorzaamheid, het stille gebed, het brandend houden van
het vuur, en de eígen inbreng van de buitenlandse religieuzen zusters
en broeders in ouderwordende en uitstervende Nederland-se congregaties
en een imploderende kerk?
6 GEHOORZAAMHEID
VOOR VEEL MENSEN is gehoorzaamheid een grote deugd wanneer het om hónden
gaat, maar iets bedenkelijks wanneer het ménsen betreft. Het is
een evangélische, met het vuur van Jezus samenhangende, deugd.
Zó’n deugd mag je vooral niet overlaten aan mensen die van
de kerk en het religieuze leven een kloosterlijke kazerne of tuchtschool
willen maken. Jezus was ge-hoorzaam aan zijn diepste verlangen, zijn verlangen
naar God. Díe gehoorzaamheid relati-veerde ál het andere.
Daarom was hij óngehoorzaam naar regels toe, het gezag van de kerke-lijke
overheid, gezag überhaupt. ‘Mijn spijs is het om de wil van
de Vader te doen’ (Joh. 4, 34). Alles was voor hem dááraan
ondergeschikt.
DE BRON VAN de religieuze gehoorzaamheid is daarom het hóren naar
wat er in jou gezegd wordt vóór je antwoordt met ‘ik
zoek uw aangezicht.’ Luisteren naar je diepste verlangens, naar
het onmededeelbare, daarnaar horen met héél je mens-zijn,
en daarom relativeren: de rollen die je speelt of spelen moet, codes,
routine, formalisme, regelmanieën. ‘Wie ben ík voor
God; wie ben ík in relatie met het onmededeelbare in mij, en wat
staat me dáárom te doen; wát verlang ik wanneer ik
naar Gód verlang?’ Je bent als gelovige of religieus géén
mens die onderworpen is aan eeuwige dogma’s, aan voorzienigheidprogramma’s,
aan een voorgefabriceerde moraal. De kerk en het klooster zijn geen school
waarin je moet leren om je aan te passen aan goddelijke decreten. Het
is een avontúúr, het volgen van een weg die nog níet
is gebaand: ‘hoe moet ík (deze mens, deze achtergrond, deze
cultuur) zíjn om vertaling van Gód te zijn?’ En het
antwoord op die vraag kan enkel in vríjheid gegeven worden, met
de vrijheid die eigen is aan kinderen Gods. Horen dus als een soort wáken,
zoals je bij een zieke waakt; en dus ook de nácht respecteren,
het niet (meer) weten, een soort slapeloosheid, leeg worden. Wáák
je zo, of ben je de chronische opblijver die tot het laatste moment doorgaat,
en zijn je nachten enkel een soort opberghokken voor te volle dagen?
GEHOORZAAMHEID EN HET stille gebed hangen daarom samen. God spreekt tot
íeder van ons in de taal van ons verlangen en het dialect van onze
ziel. Het stílle gebed: níet het brevier bid-den, níet
(om) dit of dat bidden, maar je verlángen openhouden. Je wordt
door Jezus eerst en vooral geroepen om ‘bij Hem te zijn’ (Mc.
3, 13-14), bij zijn stil gebed, om pas op grond dáárvan
te weten wat jóuw vertaling moet zijn van zíjn ‘God
is dichterbij dan je denkt.’
HET FUNDAMENT VAN alle gehoorzaamheid is de voortdúrende gehoorzaamheid
aan Gods wil voor mij. Vooral heel gewoon. Wat is Gods wil? Als het om
het dagelijkse leven gaat, is Gods wil géén abstract idee,
waar je heel ernstig en vooral moeizaam over moet nadenken. Gods wil is
24 uur per dag heel duidelijk: de mensen om je heen, de plaats waar je
bent, de omstan-digheden waarin: kun je dáárin Gods wil
zien, en horen: ‘Ik (God) wil dat jíj er hier bent’?
En kun je dan zoeken naar de beste vertaling van je antwoord? Aanvaarding
van wat je leven je brengt, van de toevalligheid van de situatie die jou
is toegevallen. ‘Gewone mensen’ doen dat heel gewoon. Ze worden
overgeplaatst, moeten van baan veranderen, verhuizen, de leiding van leidinggevenden
volgen. Ze doen dat vaak veel en veel vanzelfsprekender dan veel religi-euzen.
DEZE VOORTDURENDE GEHOORZAAMHEID is het fundament onder de gehoorzaamheid
aan de overste. Díe gehoorzaamheid is een gezámenlijke dialoog
met het onmededeelbare. De overste luistert naar de wensen van de religieus,
en in die wensen naar het verlangen dat erin aan het woord komt, en daarin
weer naar de vertáling van God, en hij kijkt of degene met wie
hij spreekt in diens leven en bediening groeit en bloeit, vermenselijkt.
De religieus doet hetzelfde; hij luistert naar zijn wensen en daarin naar
zijn verlangen en dáárin weer naar God. Sámen zoeken
ze naar de wil van God met déze mens in déze situatie en
kijken verder kritisch naar wat zelfbetrokkenheid zou kunnen zijn, carrièrisme,
angst om los te laten, en wat iemand er al dan niet voor over heeft om
anderen tot leven te laten komen. Dit alles met een gezamenlijke en vrolijke
ongehoorzaamheid ten aanzien van de gebaand paden. De overste heeft verder
de bediening om zo nodig te beslissen, en om door zijn beslissing eventueel
wégen naar léven te openen die de religieus zelf wellicht
(nog) niet ziet. Maar alles in het perspectief van Góds wil met
déze mens, God die de verménselijking van déze mens
wil.
HET ZAL DUIDELIJK zijn: zo’n gehoorzaamheid kan enkel plaatsvinden
binnen de context van een relatie, als een gesprek van hart tot hart dat
in vertrouwen heeft kunnen groeien en zich verdiepen. Het zal ook duidelijk
zijn: alleen zó wordt het vuur, waar Jezus over sprak, bran-dend
gehouden: door voorbij alle kloosterlijke geplogenheden, zorgen om het
voortbestaan, om de organisatie, de verdeling van mensen en middelen en
wat dies meer zij, bezig te zijn met de vraag: hoe moet ík, hoe
moet jíj zijn om, in het spoor van Jezus’ diepste intentie,
vertá-ling van Góds rijk te zijn?
7 DE ROL VAN DE BUITENLANDSE RELIGIEUZEN
HEBBEN DE ‘BUITENLANDSE’ religieuzen in dit geheel een specifieke
inbreng? Ik denk van wel. Op de éérste plaats: het vuur
brandend houden. Gehoorzaamheid onderstelt ook ónder-linge gehoorzaamheid.
Je bent verantwoordelijk voor elkáárs roeping, voor het
hóren van je medebroeder of –zuster naar zíjn/háár
oorspronkelijk geroepen worden. Je moet elkáár aan je gemeenscháppelijke
roeping binden. Hoe? Door eerst en vooral zélf tot leven te komen,
léven van goddelijke kwaliteit, en door dát leven ter beschikking
te stellen aan anderen. Want het gaat om léven. Er is in ouder
wordende gemeenschappen, in parochies ook, vaak sprake van een zekere
teleurstelling: ‘ons leven is over, wij sterven uit, welke verwachtingen
kunnen an-deren (nog) van ons hebben?’ Zó denken is een milde
vorm van verstandverbijstering. Het religieuze leven is, ook als de gemeenschap
oud en uitstervende is, níet over. Het gaat om het echte paasgeloof:
dat je zelf en in/als gemeenschap tot léven wil komen vóór
je doodgaat. Hoe kun je nu, als oude en uitstervende mensen, een vertáling
van God en diens komst zijn, God die de verménselijking van mensen
wil en die dus óók tevoorschijn wil komen in het leven van
oude mensen die als oude mensen tot léven komen. Ik denk dat de
inbreng van de (meestal) jonge buitenlandse religieuzen dááruit
bestaat: om van de oude religieuzen zó’n beleving van het
oud-worden en uitsterven te vragen, om daarover te communiceren, en om
zo gezamenlijk de weg naar Gods vertaling te zoeken en elkaars bezieling
op het spoor te komen. Buitenlandse religieuzen zijn hier niet om het
bestaande zo lang mogelijk nog gaande ten houden, maar om samen met de
anderen te zoeken naar de gemeenschappelijke gehoorzaam-heid aan het ‘zoek
Mijn aangezicht. Ze doen dat door hun eigen modus van gehoorzaamheid aan
te bieden en die van de anderen te ontvangen, en om zo de religieuzen
(en de kerk) te be-hoeden voor het bejaardenhuisniveau waardoor mensen
al vóór hun dood gestorven zijn.
DAARONDER LIGT NOG iets anders. Niemand heeft ooit God gezien, wij kennen
Hem enkel via vertalingen. Ook het religieuze leven zoals dat in Nederland
vorm heeft gekregen is vertaling, verwoord en gevormd binnen een bepaalde
cultuur, in een bepaalde taal, een toevallige verta-ling. Andere culturen
en andere talen laten andere mogelijke vertalingen zien en verrijken zo
het beeld dat wij van God hebben. Zo wordt de menselijkheid van God, zoals
verschenen in Jezus, steeds verder onthuld, en worden aspecten verwoord
die in de Nederlandse setting onverwoord gebleven zouden zijn. Wij, West-Europese
christenen noemen Jezus met een aan het heidense Rome ontleende woord
‘Heiland’; maar in Azië heeft hij de trekken van de bod-hissatva
of van de Yesus Sang Guru. Al vóór zij in contact kwamen
met het christendom kenden de niet-westerse culturen (in vertaling) God.
Want God is het léven van de lévenden. Zo laten ze vertalingen
zien die in het westen niet mogelijk waren. Daarom: de buitenlandse religieuzen
komen ‘ons’ iets brengen: hun woorden, hun vormentaal, hun
traditie om God ter sprake te brengen. Zij komen aanvullen wat in onze
beperkte vertaling ontbreekt. Zo kunnen ze ons behoeden voor een van de
grootste gevaren: provincialisme, de idee dat God enkel en het best, het
meest adequaat, verwoord kan worden in het Latijn door mannen die een
Oudro-meins gewaad dragen.
8 VUUR BRANDEND HOUDEN: HET GEBED VAN
JEZUS
IN HET ‘ONZE Vader’ brengt Jezus onder woorden welk vuur in
Hem brandde. Ik sluit af door de eigen heilige woorden van Jezus te vertalen:
Onze Vader, Vader van alle mensen, wij bidden als Jouw uitverkoren kinderen,
met een vertrouwen dat geen grens wil kennen. Laat iedereen toch weet
hebben van Jouw goed-heid en deze nooit misbruiken door Jouw kinderen
te profaneren. Laat de weg van Jouw komst open zijn voor iedereen, en
de armen en misbruikten bereiken. Laat daarom de rijken niet regeren,
de machtigen hun macht niet misbruiken, het Geld niet gediend worden.
Laat Jouw wil dat mensen tot leven komen werkelijkheid worden. Geef daarom
ieder het voedsel dat nodig is om te leven. Laat niemand zonder brood
zijn, en laat vooral de armen eten, vrolijk zijn en in waardigheid leven.
Wij weten ons schuldig omdat wij Jou niet ten volle ieders Vader laten
zijn en zo Jouw rijk niet binnengaan. Laat ons niet langer haat en eigenbaat
voeden, maar laat ons elkaar het leven gunnen. We zijn zwak en we moeten
leven in een wereld die getekend is door het grote geheim van het kwaad.
Laat ons blijven hopen op Jou en Je verborgen en nederige komst, en verlos
ons zo van al het kwaad dat onze vermenselijking in de weg staat.