DE VRAAG NAAR GOD
'NOOIT HEEFT IEMAND GOD AANSCHOUWD'.
(Uit: De donkere stilte van God. Bp J. Bluijssen)


Er zullen niet veel predikanten zijn die deze markante uitspraak van de apostel Johannes nooit ter sprake heb¬ben gebracht. Het gaat hier immers over een persoon¬lijke levenservaring van Jezus' beste uriend, de apostel Johannes; het betreft eenbelangrijk christelijk thema. Ik las dienaangaande de tekst van een preek van één van de meest invloedrijke christelijke predikanten, die de Kerk ooit gehad heeft: een preek van de heilige bisschop Augustinus van Hippo (354-430). Ik citeer: 'Nooit heeft ie¬mand God gezien. God is een onzichtbare werkelijkheid. Men moet Hem niet zoeken met de ogen, maar met het hart (...). Niemand mag zich een idee van Godvormen op grond van de begeerlijkheid van de ogen, want dan gaat men zich God voorstellen als een imponerend wezen, als een onmetelijke grootheid in de ruimte, zo ongeveer als het licht dat wij zien en dat wij ons over alle streken van de aarde uitgestrekt denken. Ofwel gaan we ons Hem voorstellen als een eerbiedwaardige grijsaard'. Ën inderdaad, we komen tot in onze dagen mensen tegen die God beschrijven als een bejaarde man op de wolken, die controleert hoe wij mensen leven. Overigens wil men daarmee gewoonlijk vooral zeggen: 'zo heb ik weliswaar in mijn jeugd God leren kennen; maar in zo'n God kan ik nu niet meer geloven'. Neen, zo kun je je God inderdaad beter niet voorstellen.

'Niemand heeft God ooit gezien'. Dat weten we al vanuit het Oude Testament. Mozes vraagt God: 'Laat mij toch uw ma¬jesteit zien'. Het antwoord dat hij van God krijgt, is afwij¬zend, maar ook welwillend: 'Mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven'. Toen sprak de Heer: "Er is een plaats op de rots waar je dicht bij mij kunt komen staan. Als dan mijn majesteit voor je langs gaat, zal ik je in een kloof laten schuilen en mijn hand bescher¬mend voor je houden tot ik voorbij ben. Als ik mijn hand weghaal, zul je mij van achteren zien; mijn gezicht mag nie¬mand zien'" (Exodus, 33,1).

'Niemand heeft God ooit gezien', schreef de apostel St. Jan. Niet voor niets laat hij onmiddellijk na deze uitspraak het volgende horen: 'Maar als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden' (I Joh.. 4,12). Alsof hij zeggen wil: het is de liefdevolle omgang van mensen met elkaar die mogelijkheden schept voor God om zich aan ons te doen kennen. De apostel schreef dan ook: 'Als wij elkander liefhebben, woont God in ons'.

Wellicht stelt men liever eerst de vraag: 'Zou God wel bestaan? Er is immers geen spoor van Hem te ontdekken'. Dit weer¬spiegelt de ervaring van veel mensen. Is dit een terechte vraag? Er zijn zoveel belangrijke werkelijkheden die je niet kunt zien, en waarvan je toch aanneemt dat ze bestaan. De ziel bijvoor¬beeld, die we mogen beschouwen als de motor van heel ons leven en bewegen. Ook het licht kunnen we niet zien; je ziet weliswaar ontelbaar vele belichte voorwerpen, maar het licht dat ze belicht, kun je dat zien? Neen, het licht laat zich niet zien, niet rechtstreeks althans; je kunt het alleen indirect ge¬waarworden. Ditzelfde geldt ook voor de duisternis, en voor allerlei menselijke gevoelens, zelfs voor de liefde, die belang¬rijke mysterieuze kracht die mensen kan maken en breken.

Augustinus ging in zijn zojuist geciteerde preek aldus ver¬der: Als u God wilt zien hebt u één gegeven om u een idee van Hem te vormen: God is liefde. Niemand kan echter zeg¬gen welk gelaat, welke vorm, welke gestalte, welke voeten of welke handen de liefde heeft (...). Het gaat bij de liefde natuurlijk niet over verschillend gelokaliseerde organen, maar wie liefheeft ziet met de geest ineens het geheel'.3

Nu religies en kerken niet meer de beslissende rol spelen die ze tot voor kort hadden, terwijl veel mensen niettemin uitzien naar een transcendenteel houvast, zoekt men vaak buiten de bestaande godsdiensten om naar een eigentijds godsbeeld. Augustinus zei in vermelde preek: 'Men prijst de liefde aan. Als u wilt, hebt u ze en bezit u ze. Daarvoor is het niet nodig iemand te bestelen. Het is zelfs niet nodig de liefde te kopen, ze is gratis te krijgen. Neem ze dus, klem u eraan vast. Niets is aantrekkelijker dan liefde'.

'God een open vraag', is de titel van een boek van professor Anton Houtepen, verschenen in 1997. Is God een vraag? We zien God vaak als het mysterievolle antwoord op vragen van onze kant. Maar feitelijk lijkt God zelf de meest fun¬damentele vaag te zijn. Wie is God? Waar is God te vinden? Hoe is God te vinden? 3

In de bijbelse geschriften van Joodse oorsprong blijkt de vraag naar Gods bestaan geen echte vraag te zijn. Voor het 'uitverkoren volk' was God een vanzelfsprekende werkelijk¬heid. In onze dagen echter wordt die vanzelfsprekendheid meer dan ooit aangevochten. Zo is er een belangrijke groep denkers die geloof en rede principieel met elkaar strijdig vin¬den. De Antwerpse begijn Hadewijch schreef echter in een van haar brieven: 'Het zien dat de ziel van nature is ingeschapen, dat is de liefde. Dat zien heeft twee ogen: de minne en de rede. De rede kan God niet zien tenzij in wat Hij niet is. De minne vindt geen rust tenzij in wat Hij is'(brief XVIII). Een mystica als Hadewijch heeft dankzij een bijzondere Godsgave leren leven vanuit een diepgewortelde Godservaring.

In mijn jeugd was God vanzelfsprekend, God was geen vraag. God was wel een mysterie. Natuurlijk ontdekten we, dat er omtrent God veel vragen te stellen zijn, maar één ding stond vast: God is er. Aan de hand van de catechismus leerden we God namen te geven en ons een beeld van Hem te vormen. We leerden om positief over God te denken; we leerden vooral om God te zien als de oorsprong en de maatstaf voor ons eigen persoonlijk leven. Pas op latere leeftijd maakten we kennis met een bijbels zinnetje als: 'Niemand heeft ooit God gezien'. Dat aspect van de goddelijke werkelijkheid was tot dan toe min of meer buiten onze vraagstelling gebleven; het gaf wel te denken...

Breed verbreid is het verschijnsel van de zogenaamde 'ietsisten', mensen die een min of meer vaag vermoeden hebben dat 'er toch wel iets moet zijn dat ons overstijgt', maar die gewoonlijk daarover niet of nauwelijks. serieus verder denken. Zien ze in feite het numineuze als iets onbepaalds, iets wat moeilijk te concretiseren is, iets dat wellicht nader te typeren zou zijn met begrippen als energie, dynamiek en levensgeest?

Het bijbelse, Hebreeuwse woord ruach (vertaald in het Grieks: pneuma-, in het Latijn: spiritus) zou in die richting kunnen worden verstaan. Ruach betekent immers adem, wind, lucht, geest. In het bijbelboek van de schepping (Genesis) wordt met dit woord God zelf aangeduid als de scheppende kracht die orde brengt in de chaos. Gezien de totale bijbelse context voert dit begrip ruach naar een levende God die 'omziet naar mensen', die met Zijn 'eigen uitverkoren volk' een Verbond sluit dat als veelbelovend wordt ervaren; naar een God ook die in alle opzichten ongrijpbaar is en onbegrijpelijk. In het boek God verborgen en nabij heb ik me wat dit 'ietsisme' betreft aangesloten bij wat Edward Schillebeeckx schreef in Tijdschrift voor Theologie.1 In een boeiend artikel over het ultieme menselijk verlangen volgens de grote middeleeuwse denker Thomas van Aquino schrijft Schillebeeckx dat Thomas evenals andere denkers van zijn tijd religieuze begrippen 'analoog' gebruikt; hij stelde daarom dat God wel persoon is, maar niet op de wijze waarop de mens persoon is. 'Ook Thomas spreekt over God als "niet- persoon'", zegt Schillebeeckx, 'want Hij is oneindig meer dan wat het persoon-zijn van het schepsel inhoudt. God is onvoorstelbaar méér, Hij is dus zeker geen 'het' te noemen. God kan geen blinde, redeloze en liefdeloze macht zijn. Hij is niet beneden-persoonlijk, maar boven-persoonlijk. Hij is de absoluut-Transcendente. Als wij ons daarbij niets kunnen voorstellen, bevestigt dat eerder de onvoorstelbare andersheid van God dan dat her ce eigenheid van God zou ontkennen. Hoe dan ook, de God van Jezus Christus, zoals de Bijbel Hem laat zien. is een God die omziet naar mensen, een God die meeleeft en liefheeft: een God die liefde is . Jezus heeft laten zien: deze God is in alle omstandigheden benaderbaar en aanspreekbaar.

Er werd en er wordt veel gediscussieerd over de kwestie, of er een persoonlijke God kan bestaan. Fundamenteel is allereerst de vraag, wat we bedoelen met de term: 'persoonlijke God'. Het dagblad Trouw heeft aan de vraag naar God als persoon een hele serie artikelen gewijd in de jaren 2005-2006; gesprekken aan de hand van een aantal stellingen. Ze zijn gebundeld door Peter Henk Steenhuis en in 2007 uitgegeven onder de titel 'De persoonlijke God. Gesprekken op de grens van filosofie en geloof. De bundel getuigt van een zeer variabel zoeken naar het eigenlijke wezen van God.6

Ons als christenen gaat het allereerst om de God van Jezus Christus, om de vraag hoe Jezus God zag en over God sprak. God wordt door Jezus aangesproken met het kooswoord 'abba', wellicht het best te vertalen als 'pappie'. Jezus spreekt met zijn Abba, bidt vaak tot Hem, laat in de avond of vroeg in de morgen als Hij rust zoekt in de heuvels van Galilea.
Wat Jezus Christus over Zijn Vader verkondigde, steunde op het godsgeloof van het Oude Testament. Jezus weet zich gezonden door God die Hij zijn Vader noemt, en die Hij zonder enige aarzeling als aanspreekbaar ziet.

De God van de Bijbel is in wezen een creatieve heilige Geest, die zich het best en het mooist nader laat typeren als 'Liefde'. Als wij dus spreken over 'het goddelijke' of 'het numineuze', denken we niet aan een 'louter onzijdig het', aan een vage mysterieuze bron van energie, aan een onpeilbaar geheim niet nader aan te duiden, of aan wat dan ook dat neutraal en onbestemd blijft; neen, wij zoeken naar de beste aanduiding van God, zoals Jezus Christus God zag. Wij zijn op zoek naar de levende God van Jezus Christus.

In het boek van Steenhuis sprak mij bijzonder aan het in¬terview met Jan Siebelink, schrijver van Knielen op een bed violen; een roman die onmiddellijk bij verschijnen sterk de aandacht trok, vooral van Godzoekers. Graag citeer ik vol¬gende passage uit het daarin weergegeven gesprek tussen Steenhuis en Siebelink: 'Onlangs overleed de moeder van een vriend van mij. In een nagelaten notitieboekje lazen we: "Want dit weet ik, dat God met me is" – psalm 56, vers 10. Daar ben ik jaloers op, dat zou ik graag willen kunnen zeggen'.
De interviewer vraagt dan: 'U kunt het nog niet zeggen?'. Antwoord van Siebelink: 'Nee, misschien kon ik dit in mijn jeugd, nee, toch niet, ik verlang naar die zekerheid;. De inter¬viewer: 'U bidt ervoor die zekerheid te vinden?' 'Nee'. 'U bidt wel?' 'Af en toe, bijvoorbeeld voor iemand die net te horen heeft gekregen dat hij ernstig ziek is. Ik bid niet voor mijzelf, maar ik zou wel kunnen zeggen dat mijn hele bestaan een vorm van bidden is'.
Onlangs maakten we via de media kennis met een zekere dominee Klaas Hendrikse die zegt een god te verkondigen die niet bestaat.7 Dat heeft nogal wat verwondering gewekt, hoewel ik de indruk heb dat hij onder geloofsgenoten weinig serieus genomen wordt. Toch heb ik grote achting voor de middeleeuwse theoloog Meester Eckhart, die ook en met diepe overtuiging stelde: 'God bestaat niet', maar die daaraan een heel aanvaardbare uitleg verbond. Hij voegde namelijk aan deze uitspraak toe: 'God is'. 'God bestaat niet, God is'. Eckhart bedoelde te zeggen: het begrip 'bestaan' is slechts toepasbaar op datgene wat geschapen is, op iets of iemand in onze geschapen werkelijkheid. Maar God gaat ver boven dat alles uit. Eckhart bedoelt te zeggen: God is, want God is helemaal 'zijn' in de volle zin van dat woord, onafhankelijk en ongeschapen zijn, God Is.

Voor mij persoonlijk was God nooit een wezenlijke vraag. Een vraag is God voor mij toch wel, vooral sinds ik mij als priester extra geroepen weet mijn geloof in God uit te dra¬gen temidden van onze huidige samenleving. De vraag is dan niet zozeer, wie of wat God is, maar hoe moet ik spre-ken over God, wil ik een werkelijke relatie tussen God en mensen van nu tot stand helpen brengen of helpen verdie¬pen. Hoe moet ik mij God voorstellen? Hoe stellen anderen zich God voor?

Ik ben mij overigens ook bewust, dat je - wat betreft dit vra¬gen naar God - vooral moet luisteren; luisteren naar Hem die wij zoeken en die ook zelf ons zoekt; luisteren ook naar de wereld om ons heen, luisteren vooral naar de mens die vraagt naar God. Daarom houd ik naar best vermogen de media en de boeken bij, voorzover ze God ter sprake bren¬gen. Dat luisteren naar de hartslag van de tijd en de vragen van concrete mensen kan nooit ophouden, zo lang de vraag naar God blijft klinken. Luisteren, naar twee kanten luiste¬ren, naar wat mensen rondom aan vragen en behoeften ter sprake brengen, alsook naar wat vanuit de transcendente wereld, van Godswege dus, ons wordt toegefluisterd. Luiste¬ren naar een God, van Wie je mag aannemen dat Hij/Zij niet nalaat om ons, zijn schepselen, toe te fluisteren. Hoe ervaar ik de God die ik verkondigen mag? Wat is mijn Godsbeeld? In mijn jonge jaren was het vooral de persoon van Jezus Christus met Zijn zeldzame wijsheid en toewijding, tot Wie ik mij richtte in reactie op vragen en ontboezemingen. Later, vooral na de 'revolutionaire' jaren volgend op het Tweede Vaticaans Concilie werd het meer de Heilige Geest die ik zie als de ultieme goddelijke steun en toevlucht. Sindsdien benader ik God primair als allesoverstijgende Bron van Kracht, Licht en Liefde. En vooral de term 'Aanwezigheid', 'de altijd Aanwezige' helpt me om God te benoemen zoals Hij mij in diepste wezen lijkt te zijn. Dit laatste fundeer ik uiteindelijk op de naam die God op verzoek van Mozes aan zichzelf gaf: 'Jahweh', een naam die alles van doen heeft met 'zijn' èn 'nabijheid', met permanente, liefdevolle nabijheid.

Op grond van dit alles is de vraag of God gezien moet worden als 'persoon' voor mij niet echt ter zake doende. Men zal God persoon noemen, inzoverre God volgens de heilige geschriften aanspreekbaar is en bron van onuit¬puttelijke en nabije liefde. In ieder geval word ik voor mij juist daardoor geholpen om vrijmoedig met de goddelijke werkelijkheid contact te zoeken. Maar een mysticus als de middeleeuwse theoloog Eckhart heeft ernstig bezwaar om God 'persoon' te noemen. Persoon in de zin waarin wij, mensen, dat zijn, mogen wij God niet noemen, zo meent hij. Met zulk antropologisch spreken over God maken wij het ons alleen maar moeilijk, vindt hij. Ik kom daar nog op terug.

 

 
   
 
AMARE ET SERVIRE